Kwaliteitsbeoordeling, maatschappelijk draagvlak en de grote roze olifant

Blog 22 mei 2015

Bijna iedereen is het er wel over eens: alleen cijfermatige verantwoording werkt niet.  Veel prestaties en resultaten kunnen niet in cijfers uitgedrukt worden. Er is een dialoog nodig tussen subsidieverstrekker en -krijger over de betekenis achter de cijfers.  Woensdag 20 mei organiseerde Kunsten92 hierover een gesprek, met als aanleiding een artikel over visitatie van Kim Putters (SCP) en Claartje Bunnik (Over ons, zonder ons?). Zo’n beetje iedereen was vertegenwoordigd: OCW, Raad voor Cultuur, Fonds Podiumkunsten, Mondriaanfonds, kunstraden uit verschillende steden, de VNG en allerlei adviseurs en onderzoekers.

Terecht werd al snel gesteld dat duidelijk moet zijn wat het doel is van de beoordeling en wat kwaliteit betekent bij dat doel.

Er blijken drie doelen te zijn:

  1. Beoordeling achteraf: heb je gedaan wat je beloofd hebt en heb je dat op een goede en doelmatige manier gedaan?
  2. Beoordeling vooraf: wat is de ambitie die spreekt uit die plannen, is die ambitie goed verwoord en zullen de voorgestelde activiteiten leiden tot het realiseren van die ambitie?
  3. Kwaliteitsverbetering: wat is de verhouding tussen ambitie en resultaten, hoe kan de organisatie zo ingericht worden en de activiteiten zo georganiseerd dat de relatie tussen ambitie en resultaten verbetert?

De vraag is dan welke instrumenten passen bij welk doel. Visitatie kan bij elk doel passend zijn, maar moet er wel op afgestemd worden. Er zijn natuurlijk ook andere vormen van dialoog mogelijk. Visitatie is een stevig en intensief instrument, dat veel tijd vraagt en veel deskundigheid en dus ook kostbaar is. In het hoger onderwijs is er een heel circus omheen gebouwd met proefvisitaties, enorme pakken papier, ingehuurde bureaus om de onderwijsinstelling te helpen bij de voorbereiding. Op die manier schiet het zijn doel voorbij.

Een andere vorm van zelfbeoordeling kunnen de monitoren zijn die het Fonds Podiumkunsten en OCW onlangs hebben gelanceerd. Dit is meer gericht op verbetering, maar kan ook input leveren voor subsidieaanvragen. In dit instrument is het betrekken van externe stakeholders bij de beoordeling zeer belangrijk.

En daar zit’m de crux. Er is een belangrijk verschil tussen bedrijven en publieke sector. Bij bedrijven stemmen aandeelhouders over het beleid en klanten met hun portemonnee. Bij organisaties met een publieke taak ligt dat anders. Ja, er zijn klanten/bezoekers, dus aantallen bezoekers en eigen inkomsten zijn belangrijk, maar vertellen nooit het hele verhaal. De vraag is altijd;

  1. Wie vertegenwoordigt het publiek in de organisatie en het toezicht erop: bestuur of Raad van Toezicht of de publieke subsidiegever, of allebei? En wie heeft dan de beslissende stem?
  2. Hoe wordt het publieke belang behartigd? Dat publieke belang bestaat uit de overheidsdoelstellingen in het beleid die de grondslag vormen voor subsidie, en uit het maatschappelijk draagvlak, wat ook en met name gaat over de niet-bezoekers. Is de overheid degene die het maatschappelijk draagvlak behartigt of doet de instelling dat zelf, en zo ja, welk orgaan binnen de instelling doet dat en hoe dan?

Noch bij visitatie, noch bij zelfevaluatie is gewaarborgd dat het versterken van maatschappelijk draagvlak aan de orde komt.

Als één ding duidelijk is, is dat maatschappelijk draagvlak voor de subsidiëring van de kunsten niet meer vanzelfsprekend is, en dat het in tijden van crisis snel afkalft. Dat betekent niet dat mensen het belang van kunst niet zien, maar in tijden van schaarste krijgen andere zaken meteen voorrang.

Mijn stelling is dat het vooral de kunstinstellingen zelf zijn die zullen moeten zorgen voor het herstel van dat maatschappelijk draagvlak, voor het relevant maken van kunst in het leven van veel meer mensen dan nu.

Tijdens de bijeenkomst werd daarvoor vaak verwezen naar de rol van het onderwijs, maar dat is veel te makkelijk. Ook al kan het onderwijs veel doen om kinderen en jeugd in aanraking te laten komen met kunst (en vergeet vooral de rol van het jeugdtheater niet), de mogelijkheden voor de jeugd van nu om zich met allerlei populaire vormen van cultuur bezig te houden zijn eindeloos: de combinatie van online aanwezigheid en steeds afnemende maakkosten maken van bijna iedere jongere een cultuurproducent. Daarvoor zijn gesubsidieerde kunstinstellingen nauwelijks meer nodig. En de diversiteit van de bevolking is nog steeds niet terug te zien in de kunsten. Ook dat voorspelt niet veel goeds voor het toekomstig maatschappelijk draagvlak voor de kunsten.

Voor dat maatschappelijk draagvlak zullen de kunstinstellingen dus zelf aan de slag en moeten zij verder denken dan de huidige stakeholders. Daarvoor volstaat noch zelfbeoordeling noch visitatie.

Dat was de roze olifant tijdens de bijeenkomst. Voor een groot deel van de bevolking zijn kunstinstellingen niet nodig om kunst te maken. De toenemende diversiteit van de bevolking komt te weinig terug in de instellingen en in hun aanbod.. Voor toekomstig maatschappelijk draagvlak, en dus legitimatie voor publieke financiering, moet kunst relevant zijn bij een groter deel van de bevolking dan nu. En over die vorm van kwaliteit werd niet gepraat.

PS In het voetbal heeft de KNVB laten onderzoeken hoe de maatschappelijke waarde van voetbal gemeten kan worden. Dat hebben ze gedaan op 4 thema’s: economie, verbinding, gezondheid en vorming. Er is een instrument ontwikkeld waarmee clubs de economische waarde van hun maatschappelijke projecten kunnen uitdrukken: De Kracht van Voetbal. Niet direct kopieerbaar, maar wel interessant.