Kunst en geld

21 oktober 2016

De combinatie kunst en geld is en blijft interessant.  In vroeger tijden had een kunstenaar een opdrachtgever en werd per opdracht betaald of hij was in dienst bij een rijk iemand, een mecenas, en produceerde kunstwerken in loondienst. De beste resultaten daarvan kunnen we nog dagelijks zien in musea en horen in concertzalen en kerken.

Tot in de 19e eeuw het romantisch beeld van de kunstenaar ontstond die vooral de eigen expressie diende te volgen, los van opdracht of werkgever. De autonome kunstenaar werd geboren. Ook die heeft ons veel prachtige kunst gebracht, te zien in musea en te horen in concertzalen.

Pas rond de Tweede Wereldoorlog kregen we overheidssubsidies voor kunst. Een systeem dat zich steeds verder uitbreidde en verfijnde met landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Met principes als verheffing, spreiding en toegankelijkheid. Dat betekende ook een flinke groei van het aantal kunstwerken en kunstenaars.

Alleen is aan die uitbreiding en verfijning nu een einde gekomen. Een kwart van de subsidies is verdwenen (zo ongeveer). Veel instellingen zijn opgeheven, veel kunstenaars verdienen nog minder dan voorheen en veel ondersteuning bestaat niet meer. En nog steeds willen heel veel jongeren kunstenaar worden.

Hoe nu verder?

Kunsten’92, de belangenbehartiger van de sector, kwam voor de zomer  met een cultuuragenda voor morgen en overmorgen: Cultuur werkt voor Nederland. Deze agenda betoogt dat we niet zonder kunst en cultuur kunnen, juist in tijden van verandering: “Ook nu kunnen kunst en cultuur van eminent belang zijn voor het welzijn van onze bevolking, voor de vernieuwing van het onderwijs, voor economische innovatie en ontwikkeling van het internationale profiel van Nederland”.

De vraag is echter: hoe wordt al die kunst en cultuur gefinancierd die gaat werken voor Nederland? Alleen met subsidie? Geen schijn van kans. Ook al gaat er weer meer subsidie naar kunst en cultuur, de bezuinigingen worden niet ongedaan gemaakt, de situatie van vroeger komt niet meer terug.

Terecht wordt gezegd: “De kunst-, cultuur- en erfgoedsector is een groeisector die grotendeels in de markt opereert, maar waarbij investeringen vanuit de overheid een cruciale voorwaarde zijn voor een sterke infrastructuur”. Toch gaat het daarna alleen over die investeringen vanuit de overheid, nauwelijks over de markt waarin wordt geopereerd.

Ja, er wordt aan gerefereerd dat de makers en creatieven, aan het begin van de waardeketen, te weinig opbrengsten zien van de exploitatie door providers en distributeurs aan het eind van de waardeketen. Dat wordt slechts beantwoord met de roep om beter opdrachtgever- en werkgeverschap, om betere toegang tot de Europese markt.

En er wordt gesteld dat een ondernemende cultuursector moet kunnen investeren. Maar ook hier gaat het niet over de markt en over financiering, maar over meer subsidie en hoe die makkelijker te verantwoorden.

 

Wanneer subsidie en wanneer andere financiering?

Deze antwoorden zijn volstrekt onvoldoende voor het ontwikkelen van een goed functionerende markt voor kunst en cultuur, die voor Nederland werkt aan vernieuwing van het onderwijs, aan economische innovatie, enz. Er is geen antwoord op de vraag: hoe in te spelen op een definitief veranderde wereld met minder subsidie, heel veel aanbod en een haperende markt.

Blijkbaar heeft Kunsten’92 nog geen idee hoe een goed werkende markt eruit ziet voor werkende cultuur. Wanneer is subsidie aan de orde, wanneer andere financieringsvormen? Dat de overheid investeert in cultuur waar die zichzelf echt niet kan bedruipen, prima. Of waar R&D plaatsvindt, net zoals vele honderden miljoenen subsidie naar het bedrijfsleven gaat om innovatie te stimuleren en te innoveren. Logisch. Zoals de interviews met succesvolle kunstenaars laten zien in het tweede deel van de agenda van Kunsten’92, zonder subsidie om zich te ontwikkelen hadden zij hun economische en artistieke succes niet kunnen bereiken.

Investeren doe je om te oogsten: “de cost gaet voor de baet uit”. Dat kan met subsidie, maar ook met een lening of andere vorm van financiering. Alleen: wanneer is subsidie het geëigende middel en wanneer een lening? Hoe kunnen leningen aanvullend werken op subsidie? Die discussie is nog niet eens begonnen. Elke overheid, elk fonds heeft een eigen subsidiebeleid, maar zelden of nooit is sprake van een duidelijke visie op financiering anders dan subsidie.

De WRR heeft het in Cultuur herwaarderen over het verbreden van het financieel instrumentarium en het voorkomen van ongewenste Mattheüseffecten; er zijn nieuwe financieringsvormen denkbaar en uit onderzoek blijkt dat de sector groeikansen mist door gebrekkige toegang tot bankfinanciering. Tegelijk blijkt dat het verdienvermogen van culturele instellingen en kunstenaars zeer ongelijk is: meer in de periferie is het verdienvermogen minder en voor kleinere instellingen zijn de mogelijkheden om te investeren minder toegankelijk.  Het werven van giften en crowdfunding zijn hiervoor slechts een gedeeltelijke oplossing.

Een nieuwe agenda

Wat we nodig hebben is niet alleen een verfijnd subsidiesysteem, maar ook een verfijnd financieringsaanbod, van microkredieten, van leningen, van verschillende soorten crowdfunding, van investeringen. Bij de banken aankloppen voor financiering is voor het cultureel MKB geen begaanbare weg (en dat geldt zo langzamerhand voor het MKB in alle sectoren). De financieringsbehoefte is te klein en dus niet rendabel, er zijn nauwelijks zekerheden en kennis over de sector is niet aanwezig (behalve bij de Triodosbank, maar ook die financiert alleen bij aanwezigheid van voldoende zekerheden en vanaf een bepaald bedrag). Wat we nodig hebben is veel meer kennis over verschillende financieringsvormen en hoe die samen te laten werken. Hoe combineer je subsidie met lenen en met crowdfunding bijvoorbeeld?

De commerciële markt gaat dit niet oplossen, er is duidelijk sprake van marktfalen. Daarom is het tijd voor een nieuwe agenda voor morgen en overmorgen, waar belangenbehartigers en overheden samen een financieringsagenda ontwikkelen. Met als agendapunten:

  • een nieuwe positionering van subsidie en overige financiering
  • het ontwikkelen van een verfijnd aanbod aan financieringsvormen waardoor de toegang tot financiering verbeterd wordt
  • het ontwikkelen en verspreiden van kennis over de toepassing en combinatie van verschillende financieringsvormen.

Het ministerie van OCW heeft ruim een jaar geleden een nieuwe stap gezet met het investeren in een revolverend leenfonds voor de sector: de Talentlening. Een eerste evaluatie daarvan is pas verschenen, en ja, het werkt. Het is een eerste stap op weg naar een nieuwe agenda voor morgen en overmorgen in de kunst- en cultuursector, om te kunnen groeien en te werken voor Nederland.

Kunst en geld, het blijft spannend.

 

P.S. Voor de transparantie:  ik heb meegeschreven aan de evaluatie van de Talentlening. Deze tekst is volledig voor eigen rekening.