De vijf vertogen over autonomie en instrumenteel gebruik van kunst en waarom we daar van af moeten

1 juli 2016

Op vrijdag 24 juni was ik te gast in het Utrechtse provinciehuis bij een bijeenkomst over cross-overs. De provincie onderzoekt de mogelijkheden om cross-overs tussen de culturele en creatieve sector en andere sectoren te stimuleren. Het was een bijeenkomst met onderzoekers, docenten van de HKU, gemeenten en bijvoorbeeld ook Johan Kolsteegvan de Universiteit Groningen en Giep Hagoort, emeritus-lector Kunst en Economie.

In de discussie ontstond regelmatig discussie, bijvoorbeeld waar een gemeente kunst inzet ter versterking van het profiel. Door sommigen werd dit te instrumenteel gevonden, zij vroegen zich af waar de kritische positie van kunst was in het verhaal en betwijfelden de kwaliteit van de getoonde kunst. Voor de gemeente was deze inzet van kunst al een enorme stap vooruit. Deze verschillende ‘waarheden’ laten de verwarring zien over de rol en betekenis van kunst in onze samenleving, over de grenzen van wat kunst is en wat niet. Veel van die verwarring heeft te maken met de betekenis die gegeven wordt aan de vaak gebruikte begrippen autonoom en instrumenteel.

Die verwarring ontstaat met name omdat wordt geredeneerd vanuit vijf verschillende vertogen met ieder hun eigen ‘waarheid’ over wat de kwaliteiten zijn van kunst:

  1. Artistieke kwaliteit
  2. Kritische kwaliteit
  3. Activistische kwaliteit
  4. Toepasbare kwaliteit
  5. Politieke kwaliteit

 

  1. Artistieke kwaliteit

In dit vertoog is artistieke kwaliteit het enige criterium dat telt. Al het andere hoort niet tot het artistieke domein en hoort dus ook niet mee te wegen in de beoordeling van kunst. Binnen dit vertoog speelt het begrippenpaar autonomie-instrumenteel een hoofdrol. De autonomie van de kunstenaar is een bijna absolute grootheid. En daarmee wordt bedoeld dat de kunstenaar geheel zelf bepaalt wat hij/zij maakt en dat eigenlijk alleen gelijken kunnen bepalen of dit goede kunst is. Alle andere manieren van kunst maken (en beoordelen) – in opdracht, samen met anderen – vallen buiten de autonomie van de kunstenaar en zijn dus instrumenteel. Dat is zo ongeveer een scheldwoord, want instrumentele kunst voldoet niet aan de criteria van autonomie en is dus geen goede kunst. Dit vertoog speelt het sterkst in de beeldende kunst. In de verwrongen versie ervan is autonomie een voorwendsel voor een leefstijl waarin een kunstenaar vindt dat hij/zij aan niemand verantwoording hoeft af te leggen en toch betaald dient te worden voor zijn/haar werk. Die laatste connotatie met ‘autonome’ kunst is sterk aanwezig bij het grote publiek: prima, dat dat gemaakt wordt, maar waarom moeten wij ervoor betalen?

  1. Kritische kwaliteit

Een van de mogelijkheden die de ontwikkeling naar autonomie in de kunst de afgelopen 100 jaar heeft opgeleverd is de kritische positie tegenover de samenleving. In de strenge vorm van dit vertoog is kunst alleen goede kunst als die kritisch is over onze maatschappij; kunst moet schuren, wrevel opwekken, en vooral het feilen laten zien van deze kapitalistische samenleving. In een wat positiever gerichte vorm bedenkt kritische kunst ook alternatieven voor de samenleving, bijvoorbeeld in het bedenken van kleinschalige, bottom-up initiatieven. Dit vertoog is ook zeer beducht voor instrumentalisme. Werken in opdracht of in organisaties en bedrijven zijn vormen van kunst beoefenen waarbij de autonome – lees: kritische houding – van kunst onder druk staat of verdwijnt, en is daarom al snel geen goede kunst meer. Autonomie is hier bedoeld als het innemen van een kritische positie. Kunst is de kritische commentator van politiek en samenleving.

  1. Activistische kwaliteit

In het vorige vertoog gaat kunst over politiek, maar mag kunst geen politiek bedrijven worden, want dan ga je over de grenzen van de kunst heen. Dan verliest het zijn autonomie en zou het instrumenteel worden. Veel kunstenaars zetten echter hun kunst in om op de een of andere manier de samenleving te veranderen. Dat kan door utopieën te bedenken en ermee te experimenteren en daarmee het bestaande uit te dagen en daadwerkelijk voor te houden: dit kan anders.  Een andere veel voorkomende vorm is de straat op te gaan, op te komen voor onderliggende groepen, te protesteren voor hun belangen en daadwerkelijk de eigen omgeving proberen te verbeteren.

Niet voor niets vind je veel kunstenaars onder hen die vluchtelingen opvangen, die met kunstactiviteiten het zelfvertrouwen van kinderen met achterstanden versterken en die met biologische moestuinen of andere vernieuwende ecologische vindingen de circulaire economie verbeteren. Bij het ontwerpen, uitvoeren en bekend maken zetten ze hun ervaring met artistieke processen en onderzoek in. Veel vinden zichzelf nog steeds kunstenaar, al is het artistieke proces vaak belangrijker dan de artistieke kwaliteit van het resultaat. En ze hebben er moeite mee dat de gevestigde kunstwereld hen niet accepteert als ‘echte’ kunstenaars. Anderen laten het etiket kunstenaar los omdat zij vinden dat de associaties van het publiek met het kunstenaarschap (‘och, het zijn maar kunstenaars’) hun effectiviteit belemmeren.

 

  1. Toepasbare kwaliteit

Kunst kan heel goed een middel zijn voor een ander doel dan de kunst zelf.  Zowel bij het artistieke als het kritische vertoog wordt dat meteen als een instrumenteel gebruik van kunst benoemd, en daarmee als fout. De vraag is of deze Pavlov-reactie wel klopt. En of de kunstenaars die op zo’n terrein actief zijn, dus ook geen ‘goede’ kunstenaars zijn.

Om een paar terreinen te benoemen waar kunst toegepast wordt:

  • Economie: de aanwezigheid van kunst versterkt de aantrekkelijkheid van stad of dorp en heeft daarmee impact op a. de bestedingen, zoals via toerisme. De kunstsector zelf is een economische sector die ertoe doet (en als onderdeel van de creatieve industrie, met inbegrip van ict en media, al helemaal).
  • Gebiedsontwikkeling: de aanwezigheid van broedplaatsen en ateliers leidt tot instroom nieuwe bewoners en hippe koffietentjes en daarmee tot het aantrekkelijk maken van de buurt, wat leidt tot hogere huizenprijzen. In zijn slechtste vorm pure gentrificatie (uitdrijven oorspronkelijke bewoners en kunstenaars), in een eerlijker vorm verbetering van sociale cohesie en versterking zelfvertrouwen buurtbewoners ,
  • Bedrijven en maatschappelijke organisaties: steeds meer bedrijven en organisaties zetten kunstenaars in om vastgelopen processen los te trekken, voor productontwikkeling en versterking van de communicatie met klanten of burgers. De een noemt dit artistieke interventies, de ander cross-overs. Voor kunstenaars is dit werk regelmatig inspiratie voor hun eigen (autonome?) werk, en geldelijke waardering voor hun kwaliteiten waar het in de kunstwereld zelf vaak aan ontbreekt.

 

  1. Politieke kwaliteit

In de verschillende politieke vertogen heeft kunst ook een eigen rol en toepasbaarheid. In het sociale vertoog is kunst voor iedereen van belang en staan educatie, participatie en daarmee het maatschappelijk belang voorop. In het traditionele liberale vertoog vormt kunst een bron van inspiratie voor het goede doen en het goede leven, in het neoliberale vertoog is kunst van belang als een economische factor en ondersteuning nog slechts nodig bij marktfalen. (Behalve als het om erfgoed gaat, want een paar Rembrandts gaan voor alles) En in de christelijke traditie dient kunst zowel het hogere, bovenaardse belang als het belang van het verbinden binnen de plaatselijke gemeenschap. Verder dient kunst als show- en smeermiddel in internationale interactie en diplomatie.

 

Autonoom en instrumenteel

Als het Nationale Ballet mee gaat op overheidsmissies kun je dat een instrumentele inzet noemen. Doet dat iets af aan hun artistieke kwaliteit en autonomie? Lijkt me niet. Als een kunstenaar een project doet binnen een bedrijf, is die dan zijn/haar autonomie volledig kwijt? Of wordt die niet juist gevraagd omdat hij/zij vanuit de eigen autonomie een heel andere inbreng heeft?

Of weigeren we kunstenaars genoeg autonomie toe te staan om zelf te beslissen wanneer hun autonomie aangetast wordt? Toegegeven: economische noodzaak dwingt veel kunstenaars om allerlei werk te doen wat vooral geld oplevert en tijd  koopt voor ander werk. De een kiest daarbij voor toegepast werk, de ander voor werk buiten de sector, weer anderen voor werk in opdracht waarbij ze nog steeds hun eigen werk maken.

Op het ene moment werkt een kunstenaar dan ‘autonoom’ en het andere moment ‘instrumenteel’. Niet echt geloofwaardig.

 

Professionele autonomie

Redenerend vanuit het artistieke en kritische vertoog is heel erg veel instrumenteel. Er zijn zoveel professionele kunstenaars actief binnen de andere (en binnen meerdere!) vertogen dat er dan maar een heel klein reservaat over blijft voor ‘goede’ (niet-instrumentele) kunst. Dat lijkt me geen zinvolle weg.

Wordt het niet tijd om uit te gaan van de professionele autonomie van een kunstenaar? Professionals binnen allerlei disciplines buiten de kunstsector werken in opdracht of in een organisatie, maar komen pas tot hun recht en kunnen hun werk goed doen als hun professionele autonomie gerespecteerd wordt. Als ze zelf kunnen beslissen hoe ze hun deskundigheid inzetten en hun proces organiseren. Er is niet voor niets veel literatuur over het managen van professionals met als uitkomst dat je professionals niet te veel moet inperken omdat anders het resultaat van hun werk van mindere kwaliteit wordt.

Geldt datzelfde niet ook voor kunstenaars?  Wordt het niet tijd voor een vertoog over de professionele autonomie van kunstenaars? Waarin kunstenaars de grenzen van hun inzet bewaken, waarin ze genoeg ruimte opeisen om hun vak uit te oefenen waar ze ook werken? Waarin ruimte genoeg is voor een kritische positie? Waarin opdrachtgevers snappen dat juist die professionele autonomie een noodzakelijke voorwaarde is voor het beste resultaat?

Het opbouwen van zo’n vertoog lijkt me veel zinniger dan het eeuwig herhalen van de discussie over autonomie en instrumentaliteit van de kunst.